De waarde van historische sporen binnen de Architectuur

Inleiding
Binnen de Nederlandse Architectuur zijn de laatste decennia verschuivingen binnen de richtlijnen van monumentenzorg en herbestemming. Hoe zouden wij als architecten om moeten gaan met oude gebouwen en hun historische waarde? Moeten we deze gebouwen historisch correct restaureren, laten vervallen of herbestemmen? Is er een middenweg tussen deze drie omgangswijzen en wellicht nog een belangrijkere vraag; wat is de waarde van deze verschillende methoden? Gaat het om het bevriezen van het erfgoed tot een bepaald moment, het laten vervallen waarbij het gebouw op een gegeven moment in elkaar stort en op de locatie een nieuwe gebouw kan komen te staan. Of kiezen om het gebouw te herbestemmen waarbij de gebruiks- en bouwsporen van een langere tijd zichtbaar blijven en er een nieuw ontwerp wordt gemaakt in de context van het oude.

De discussie die voortvloeit uit bovenstaande vragen is momenteel zeer actueel, Nederland is een relatief klein land waardoor we steeds vaker zullen willen bouwen op een plek waar al iets staat of die op een andere manier wordt beschermd. ‘Daarmee wordt de construire la ville sure la ville (bouw de stad op de stad) tot programmapunt gemaakt en de mentale en organisatorische scheiding tussen oude en nieuwe architectuur wordt opgeheven’

Binnen dit essay wordt ingegaan op deze vraag aan de hand van twee boeken. In de Vergankelijkheid legt Midas Dekkers uit waarom hij voorstander is om gebouwen door te laten leven en een waardig einde te geven door ze te laten vervallen tot een ruïne. Het boek Re-Arch van Michelle Provoost gaat op een meer rationele wijze in op de vraag hoe wij met herbestemming om moeten gaan. Onder andere de geschiedenis van dit onderwerp wordt duidelijk bekeken.

De combinatie van deze twee boeken is gekozen omdat in beide boeken een volledig andere zijde van het verval van gebouwen is beschreven. Schrijft Midas Dekkers vooral over esthetiek van gebouwen die vervallen en wat hier de schoonheid van is, Michelle Provoost gaat juist in op de wijze waarop de architect hiermee om gaat. Wat de historische beleving is, hoe de sporen van weleer ingezet kunnen worden als kwaliteit in een nieuw ontwerp. Om een antwoord te geven op de vraag wat de historische waarde is van sporen van verval in en op gebouwen?


De Vergankelijkheid, Midas Dekkers

In de Vergankelijkheid schrijft Bioloog Midas Dekkers (1946, Haarlem)over het verval van de mens, de natuur en gebouwen. Dekkers, bekend van verschillende boeken en columns over mens en dier, schrijft over de schoonheid van het verval. In zijn boek beschrijft hij zoals de titel verklapt de theorie van de vergankelijkheid. Van het besef dat wij mensen sterfelijk zijn, maar dat ook gebouwen, machines en producten niet een eeuwig leven hebben. Hij toont aan dat als iets vergaat, het ook leeft. En er zelfs nieuwe vormen en nieuw leven ontstaan tijdens het vergaan. En dat als dit proces wordt onderbroken een mens, object of gebouw zijn karakter verliest.

Midas Dekkers begint zijn pleidooi met de beschrijving van een locomotievenkerkhof, hij beschrijft het contrast tussen een locomotieven kerkhof in het buitenland en het Spoorwegmuseum in Utrecht. Op beide locaties staan oude treinen na hun werkzaam leven, ‘er is echter een groot verschil. Op het locomotieven kerkhof hoeft een locomotief niet dood te gaan, hier mag hij sterven.(…) Een wrak van een locomotief is minder dan hij ooit was, maar ook meer’ . Door restauratie blijven model en type wel zichtbaar maar verdwijnt de eigenlijke locomotief, het geen het ooit was verdwijnt onder een zoveelste laag lak. Hij oogt hierdoor steriel en onwerkelijk.

In de middeleeuwen wordt het verval al gezien als een schoonheid. Vroeger werden op landgoederen nieuwe ruïnes gebouwd als pronkstuk. Tijdens reizen werden kunstenaars meegenomen naar verre landen om de ruïnes die onderweg gezien werden vast te leggen op doek. Waarom laten wij gebouwen dan niet nu ook rustig verouderen en wegrotten?

Midas schrijft dat in Nederland door de beheerszucht niks rustig aan zijn einde mag komen, we willen dat alles hersteld wordt of gelijk gesloopt. Bij de restauratie van een gebouw wordt het in oude glorie hersteld maar bereikt de restaurator juist het averechtse. ‘Juist door de restauratie is het oude eraf’ Het doel is om gebouwen die worden gerestaureerd in oude glorie te herstellen, maar juist door de restauratie verdwijnt het karakter. De oude elementen zoals de kranten achter het behang en het vuil dat in gevel zich heeft opgehoopt is verwijderd. Er worden nieuwe elementen toegevoegd die niet van het moment zijn dat een gebouw ooit werd gebouwd. Dekkers concludeert hieruit dat het gebouw wordt ontzield.

Het karakter dat aanwezig is in het gebouw groeit met de jaren van gebruik, het wordt opgebouwd uit onvolkomenheden die ontstaan door gebruik, slijtage, verwering en door gebeurtenissen die er plaats vinden. Per materiaal verschillen de onvolkomenheden, bepaalde materialen verouderen en dateren, andere worden mooier. Een voorbeeld dat Midas hierbij aanhaalt is de steen. ‘Verkeren de stenen in een kasteel of paleis allen in dezelfde staat – netjes afgewerkt, passend in een strak verband, in een ruïne is elke steen anders, elke op zijn eigen wijze door het leven getekend.‘

Als een gebouw wordt gerestaureerd dan wordt hiermee de klok stilgezet of zelfs een poging gedaan om deze terug te draaien. Hij stelt dat restauratie een noodgreep is maar ook niet nodig is. ‘Zo lang als wij mensen een gebouw goed onderhouden, dan heeft het gebouw een eeuwig leven. Voorwaarde is dat mensen er zin aan hebben. Dat is alleen zo als ze er naar eigen behoeften aan kunnen veranderen. Daar kan het alleen maar rijker van worden.‘

Om een gebouw waardig aan zijn einde te laten komen, moeten het op zijn eigen tempo in elkaar kunnen storten. Er kan naast de ruïne die ontstaan een nieuw gebouw worden gebouwd of een replica. Want stelt Midas: ‘Replica’s zijn niet heel hoog aangeschreven, toch zijn franse dorpen zo mooi omdat de nieuwbouw amper verschilt van de oudbouw. Ze hebben hetzelfde karakter.‘

Re-Arch, Michelle Provoost
Re-Arch is geschreven in 1995 en geeft op rationele wijze de theorie achter verschillende Nederlandse herbestemmingsprojecten weer. Het boek is geschreven door Michelle Provoost. Ze is tegenwoordig directeur van het International Town Institute (Town) en partner bij Crimson Architectural Historicans, tevens de uitgever van het boek.

Als eerste begint Michelle Provoost met het vaststellen van de opgave waaruit het herbestemmen, of zoals het in Re-Arch genoemd wordt, Re-Architecture bestaat. Het doel van de architect is een nieuw ontwerp te maken met een oud gebouw. Het gaat bij Re-Arch om hoe er wordt omgegaan met de geschiedenis van het gebouw wanneer het onderwerp wordt van een nieuw architectonisch ontwerp. Het doel dat wordt nagestreefd is meestal ‘eigenheid met respect voor het oude’, dit wordt als standaardwens van de opdrachtgevers en als standaard toelichting vanuit het ontwerp beschreven. Het doel van het boek is om juist de scherpe kantjes achter de eufemismen zoals het ‘evenwicht tussen oud en nieuw’, ‘historie zonder pastiche’, ‘dialoog met het oude’ of een ‘historisch maar niet historiserend beeld’ weg te halen, deze begrippen weer zichtbaar te maken en van een nieuw leven voorzien.

Het gaat in essentie bij deze ontwerpen om de intense één-op één relatie die ontstaat bij herbestemming. Door het samenvoegen van een bestaand gebouw of een deel ervan met een nieuwe ontwerp ontstaat een relatie van het nieuwe deel met de geschiedenis van het oude deel. Het nieuwe ontwerp doet hierbij een fysieke ingreep in het bestaande. Van belang is hierbij dat zorgvuldig de waarde wordt bepaald van de aanwezige sporen van de historie. Michelle Provoost concludeert in haar boek al vroeg dat ‘een consistente benadering van Re-Arch niet bestaat. Daarvoor is de historische architectuur te pluriform in aard, status en betekenis (…) ‘Een wetenschappelijke definitie van de architectonische interventie zou bestaan uit louter fricties en paradoxen en vindt daarin juist haar essentie Door in elk geval apart het idee te analyseren dat besloten is in een nieuw ontwerp, is het mogelijk om te zien welke verschillende karakteristieken de relatie tussen oud en nieuw op dit moment kent.’

Ze schrijft dat de veelzijdigheid van de hedendaagse architectuur haar rijkdom is, maar dat het ook duidt op een wijziging in de architectonische houding van de afgelopen jaren. De kanteling van het contrast naar de analogie is daarbij de meest belangrijke. Bij een ontwerp als contrast vormen de bestaande en de nieuwe entiteit wel samen een gebouw, maar bestaan ze qua architectuur naast elkaar. ‘Bij de Analogie is het uitgangspunt juist dat uit de oscillatie tussen beide entiteiten iets nieuws ontstaat. Daardoor is de identiteit van het nieuwe verbonden met de historie, in de plaats van dat deze ermee geconfronteerd wordt.’

Het grote verschil tussen restauratie en herbestemming is dat bij eerstgenoemde vaak wordt gestreefd naar het terugbrengen van een gebouw naar een bepaald moment in de geschiedenis. Bij herbestemming is dit specifieke moment vaak minder van belang maar wordt een nieuw ontwerp gemaakt waarin een tijdsperiode zichtbaar wordt gemaakt. De kracht hierin is dat ook elementen die zichtbaar onderhevig zijn aan slijtage, verval en datering waardevol worden.

Het gaat om een grote verandering binnen de Nederlandse architectuur, waar vroeger het contrast belangrijk was wordt er nu gekeken naar eenheid. Als voorbeeld haalt Provoost de omschakeling aan binnen de handelswijze van de Rijksgebouwendienst en Monumentenzorg. Waar deze vroeger altijd nog behoudend werkte werd in 1980 openlijk het historisch restaureren verworpen. Ze noemt hiervan Paleis Soestdijk een afschrikwekkend voorbeeld. Binnen nieuwe projecten wordt een samenwerking van een historicus en architect ingezet. De architect maakt het ontwerp en is leidinggevend, de historicus onderzoekt welke onderdelen van significante waarde waren om te behouden.

Tot slot komen we tot één van de meeste interessante onderdelen van Re-Arch. Het onderdeel over de Modernistische architectuur, hierbij komen twee polen: conservatie en inventie erg dicht bij elkaar. ‘Hier ontstaat namelijk het filosofische probleem hoe op een integere probleem gebouwen voor de eeuwigheid waar kunnen worden die niet voor de eeuwigheid gebouwd zijn’. Provoost trekt hierbij de conclusie dat als het gaat om de functie, of bouwwijze juist een replica voor dit soort projecten soms gewoon beter is dan het origineel. Dit bevestigd dat het doel van het behoud of herbestemming van een gebouw de leidraad kan zijn van hoe waardevol de historie van een gebouw kan zijn.

Welke erfgoed is belangrijk, gaat het om historisch verantwoord behoud, toeristisch behoud of juist om het materialistisch behoud? Gaat hem om de architectonische kwaliteit in het gebouw voor de architecten? Hier valt geen eenduidig antwoord op te geven. Het bewijst echter weer dat dankzij de veelzijdigheid van de architectuur per project gekeken moet worden welke historische waarde het gebouw of object heeft en op wat voor wijze het behoud hiervan belangrijk is.

Conclusie
Beide boeken benaderen het thema historische waarde van volledig verschillende zijden. De bloemlezing van bioloog Midas Dekkers staat hierbij tegenover het rationele verhaal van onderzoeker Michelle Provoost.

Het meeste opvallende vind ik dan ook dat in beide boeken het historisch terug restaureren wordt verworpen. De reden die in beide boeken wordt gegeven is dat dit een gebouw juist zijn identiteit laat verliezen en het slechts zorgt voor toeristisch vermaak. Volgens beide auteurs zou juist bij het behouden van gebouwen ook het echte, originele gebouw voorop moeten staan.

Het tweede dat mij opvalt is dat in beide boeken de replica wordt geprezen als een goed alternatief voor een oud gebouw. Juist dit zou ik niet verwachten, Provoost schrijft zelfs dat een replica soms zelfs beter is dan het origineel. Als ik de kritieken over Brandevoort, Helmond als voorbeeld neem werd daar in het begin zelfs gesproken over ‘citaten’ en ‘gemakzucht’ architectuur . Wellicht dat dit dan komt door het verschil dat het daarbij ging om een stedenbouwkundig plan met nieuwbouw waar geen exact gelijk voorbeeld van is. Het komt er dan op neer dat we altijd een replica moeten bouwen naast een verkrot gebouw waardoor weer het verschil tussen bestaand en nieuw zichtbaar wordt. Deze samenkomst is ook weer een belangrijk punt van herbestemming, wel eenheid in een gebouw creëren maar ook verschillen aanbrengen op zo’n wijze dat de analogie binnen de architectuur niet verstoord wordt.

Wanneer juist echt de oude authenticiteit getoond dient te worden zoals in het Arnhems Openluchtmuseum gebeurt. Dan is de kunsthistorische restauratie een goede optie, hiermee wordt wel gebruik gemaakt van het bestaande gebouw en deze specifiek naar een bepaald tijdsmoment gerestaureerd. Juist voor een museum is dit een goede optie, hier gaat het tenslotte om het tonen van erfgoed.

Concluderend wil ik zeggen dat door de veelzijdigheid van de Nederlandse architectuur we een groeiend aantal waardevolle gebouwen hebben. Hierdoor is het mogelijk om in Nederland her bestemde-, onderhouden-, volledig gerestaureerde gebouwen en nieuwbouw naast elkaar te laten staan. Als architect is de geschiedenis een van de belangrijkste bibliotheken waaruit we kunnen putten om nieuwe ideeën op te doen. Het is alleen van belang om deze goed te overdenken en hier zorgvuldig mee om te gaan. Om op deze wijze op een waardige wijze om te gaan met ons erfgoed.

Rinse Tjeerdsma

Bronnen en noten
Dekkers, Midas. De Vergankelijkheid. Amsterdam: Contact, 1997. Print.

Provoost, Michelle. Re-Arch: nieuwe ontwerpen voor oude gebouwen. Rotterdam: Uitgeverij 010, 1995. Print.

Sondervan, Angela. De mythe van Brandevoort, Amsterdam:UvA, 2005. Print